Activiteiten Amstelodamum

Raadsadres Hoge Sluis


Mede op initiatief van Amstelodamum hebben de genootschappen en verenigingen die begaan zijn met de historische stad onderstaand raadsadres op 22 april 2010 ingediend naar aanleiding van de plannen de Hoge Sluis niet in volle glorie te herstellen vanwege geldgebrek.

Aan de Gemeenteraad van Amsterdam,

Onderstaande organisaties hebben met grote verontrusting vernomen dat het gemeentebestuur overweegt de thans in restauratie zijnde Hogesluis-brug vanwege financiële tegenvallers niet in de oude staat terug te brengen maar te vervangen door een eenvoudige betonnen wipbrug, al dan niet met gedeeltelijk hergebruik van afkomende materialen.

De Hogesluis-brug is een buitengewoon belangrijk monument, dat zeer beeldbepalend is voor dat deel van de Amstel en omgeving. Vervanging van de huidige brug door een moderne variant zou niet alleen een verkeerd signaal geven naar de Unesco, die deze zomer moet beslissen over de plaatsing van de 17e-eeuwse grachtengordel op de Werelderfgoedlijst. Het zou tevens een verkeerd beeld geven aan de inwoners van Amsterdam van hoe de Gemeente met zijn monumenten omgaat als het even tegen zit.

Verder wijzen wij u op nog een ander aspect van de voorbeeldfunctie, die de gemeente heeft. Zo zal er een volstrekt verkeerde signaal naar particulieren uitgaan als de gemeente alsnog voor een nieuwe brug zou kiezen. Particulieren verkeren namelijk geregeld in eenzelfde situatie bij verbouw van hun pand en zouden met behulp van het gelijkheidsbeginsel eenzelfde wijze van werken kunnen gaan eisen. Dat haalt ook het fundament onder het aanschrijvingsbeleid bij monumenten helemaal weg.

Wij zullen daarom niet akkoord gaan met een onttakelde Hogesluis en ons daartegen verzetten.

Niettemin willen wij u een aantal suggesties doen om de huidige impasse te doorbreken. Dat zijn de volgende.

  1. er zou een second opinion-onderzoek gedaan kunnen worden om te onderzoeken of er goedkopere oplossingen zijn dan uit het huidig onderzoek blijkt;
  2. de hogesluis-brug is een rijksmonument en het is nog alleszins onzeker of het Rijk met sloop van de brug zal instemmen. Wat wel kan is bij het Rijk om financiële steun te vragen, zodat het financiële probleem geheel of gedeeltelijk wordt opgelost. En zijn de bestaande subsidieregelingen wel aangesproken?
  3. ook is het denkbaar een steunfonds op te richten waarin bijvoorbeeld bedrijven en instellingen uit de directe omgeving van de hogesluis een donatie doen. Te denken valt aan bijvoorbeeld de Nederlandse Bank of het Amstelhotel. Wij zijn bereid aan een dergelijke actie mee te werken.


Graag willen wij u alsnog een beeld schetsen van hoe bijzonder de hogesluis-brug is. De Hogesluis-brug was vóór het begin van de werkzaamheden in zijn uiterlijke staat een nog steeds een prachtig 19de-eeuws monument, gebouwd door W. Springer in 1883, en een belangrijk onderdeel van de stadsverfraaiing van Sarphati waaraan wij bijvoorbeeld ook de nog bestaande monumentale panden aan het Frederiksplein en de Sarphatistraat, alsmede het Amstelhotel hebben te danken. De brug schijnt bovendien, volgens Bureau Monumenten & Archeologie, onderdelen te bevatten van de oorspronkelijke 17de-eeuwse brug die onderdeel was van de toenmalige stadsmuur. Als afsluiting en overbrugging van de Amstel is het bouwwerk niet weg te denken uit een van de gevoeligste plekken in Amsterdam - en uit het beschermd stadsgezicht. De brug is dan ook een Rijksmonument. Bovendien ligt brug 246 in de bufferzone van het deel van de grachtengordel waarvan de gemeente hoopt dat het over enkele maanden als Unesco-Werelderfgoed zal worden aangewezen.

De ondergetekenden menen dan ook dat alleen al de Rijksmonumentenstatus voor de gemeente de verplichting met zich mee brengt de oude brug zo goed mogelijk te herstellen, met hergebruik van alle afkomende materialen. Wat bouwkundig niet te handhaven is, moet worden herbouwd. Wij hopen dat er zo voorzichtig mogelijk is gedemonteerd zodat zoveel mogelijk bouwmaterialen kan worden hergebruikt. Dit geldt uiteraard het meest voor de negentiende-eeuwse natuurstenen bekleding, de gietijzeren bogen en lantaarns. Wij vinden het ook van belang dat de onderdoorgangen hun fraaie metselwerk behouden.

Het belangrijkste is echter het zuiver inhoudelijke argument dat voorkomen moet worden dat één van de bijzonderste bouwkundige prestaties van de 19de eeuw, gelegen op één van de mooiste plekken van de Amsteloevers, voorgoed zal verdwijnen. Wij doen dan ook een dringend beroep op u deze dreigende calamiteit te voorkomen.

Ondertekenaars: Genootschap Amstelodamum, Bond Heemschut, Cuypersgenootschap, Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad.

 





Jaarvergadering in de Muiderpoort

Het bestuur nodigt de leden van het Genootschap uit voor de jaarlijkse algemene ledenvergadering op zaterdag 27 maart 2010, om 10.00 uur, te houden op de derde etage van de Muiderpoort, Sarphatistraat 500 te Amsterdam (tel. 020-5141880). Als onze gastheer treedt op mr. F.H.J. Sobels, lid van het Genootschap, en directeur van de Nederlandse Orde van Belastingconsulenten, die in het poortgebouw is gevestigd. Na afloop van de vergadering zullen de aanwezigen in en op de Muiderpoort worden rondgeleid door dr. Coert Peter Krabbe, als architectuurhistoricus werkzaam bij het Amsterdamse Bureau Monumentenzorg en Archeologie (bma).

 

De agenda luidt als volgt:


  1. Opening
  2. Notulen van de vergadering van 29 maart 2009, gehouden in het Museum Ons' Lieve Heer op Solder.
  3. Jaarverslag van de secretaris. Het verslag zal, evenals de notulen van de op 29 maart 2009 gehouden jaarvergadering, vanaf 20 maart 2009 ter inzage zijn op de website van het Genootschap (zie de onderstaande bijlagen) en kan desgewenst per e-mail worden opgevraagd (secretaris@amstelodamum.nl). Beide stukken worden tevens gepubliceerd in bijlage in het jaarboek 2009.
  4. Financieel jaarverslag van de penningmeester.
  5. Verslag van de kascommissie, en benoeming van een nieuwe kascommissie.
  6. Aftreden van prof. Dr W.H. Vroom
  7. Verkiezing van bestuursleden wegens periodiek aftreden van de heren Van der Plas, Van Nierop en Van de Put, die zich allen herkiesbaar stellen. Tevens verkiezing van een nieuw bestuurslid. Als zodanig is verkiesbaar Mevrouw drs. Judith C.E. Belinfante te Amsterdam.
  8. Mededelingen van het bestuur.
  9. Rondvraag.
  10. Sluiting.

Bijlagen:

De Muiderpoort

Het verheugt het bestuur bijzonder dat de jaarvergadering in deze bijzondere locatie kan worden gehouden en dat aansluitend gelegenheid bestaat het in- en uitwendige van dit monument te bezichtigen. Diegenen die minder goed ter been zijn, worden erop gewezen dat de vergadering in de Torenkamer, op de derde etage, wordt gehouden, en dat het gebouw geen lift heeft. De Torenkamer biedt plaats aan circa 35 personen.

De Muiderpoort, sinds 2002 zetel van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (nob), is een van de weinige Amsterdamse stadspoorten die bewaard is gebleven. Nadat haar voorganger, tegelijk met een deel van de toenmalige stadsmuur, op 29 januari 1769 van de paalfundering was gegleden, werd nog datzelfde jaar de eerste steen voor een nieuw poortgebouw gelegd. Het ontwerp was van de stadarchitect Cornelis Rauws, die kort na de voltooiing van het in Louis xvi-stijl opgetrokken bouwwerk bij de brand in de toenmalige schouwburg aan de Keizersgracht zelf het leven liet - een gebeurtenis waaraan een plaquette aan de stadszijde van de poort herinnert.

Het exterieur van de Muiderpoort (25 meter lang, 14 meter breed en 34 meter hoog) verkeert voor een belangrijk deel nog in de oude staat. Dat geldt ook voor het beeldhouwwerk van Anthony Ziesenis (1731-1801), die ook de sculpturen aan het voormalige stadswerkhuis aan de Roetersstraat maakte. De buitenmuren zijn één tot anderhalve meter dik, de poortopening suggereert een triomfboog. Het gebouw rust op een fundering van 3563 palen, en wordt bekroond door een achtkantige houten koepeltoren die met lood is bekleed. Vanaf de omgang heeft men een fabuleus uitzicht over Plantage en op het Tropenmuseum.

Hoewel het inwendige van het poortgebouw in de loop der jaren uiteraard veranderingen heeft ondergaan - de poort telt, verrassend, veertein werkkamers en vergaderruimten - wordt het gebouw nog steeds gekenmerkt door een zekere soberheid. Bij de laatste verbouwing - in overleg met bma door architect Hans Kodde uitgevoerd, waarbij Odette Welvaars verantwoordelijk was voor het decoratieprogramma - is er naar gestreefd de oorspronkelijke ambiance zoveel mogelijk te handhaven. Volgens de nob is 'de Spartaanse eenvoud van het interieur', waaronder haard en bedstede in de bestuurskamer, behouden.

Uit de rijke geschiedenis van de Muiderpoort wordt hier vermeld dat de in 1898 afgebroken zogenaamde 'hekkenpoort', die aan de landzijde de afsluiting van het complex vormde, sinds circa 1935 de ingang van het toen aangelegde Flevopark siert. Verder kan worden genoteerd dat Lodewijk Napoleon, koning van Holland, na ten behoeve van zijn oudste zoon Napoleon Lodewijk afstand van de regering te hebben gedaan, in de nacht van 2 op 3 juli 1810 land en stad heimelijk, en mogelijk via de Muiderpoort, richting Duitsland verliet. De keizer zelf echter verkreeg, komende vanuit Utrecht, op 9 oktober 1811, overdag via de poort toegang tot de stad. Amsterdam was na de inlijving bij Frankrijk de derde hoofdstad van het rijk geworden. De toenmalige maire Joseph van Brienen van de Groote Lindt overhandigde bij die gelegenheid - overigens het enige bezoek dat Napoleon aan Nederland bracht - buiten de poort op een kussen twee zilveren vergulde sleutels van de stad. Deze plechtigheid werd onder meer vereeuwigd door Reinier Vinkeles. De sleutels, gemaakt door de Amsterdamse zilversmid Diederik Lodewijk Bennewitz, bevinden zich thans in het Amsterdams Historisch Museum.

 

 

 

Novemberlezingen 2009

In 2008 organiseerde het Genootschap een serie lezingen met als thema de Stadsarchitect. Pieter Vlaardingerbroek, Geert Medema, Coert Krabbe en Vincent van Rossem hielden lezingen over dit belangrijke ambt vanaf de 17de tot de twintigste eeuw. Hoofdrolspelers als Daniël Stalpaert, Abraham van der Hart, Jan de Greef en Cornelis van Eesteren werden gepresenteerd, niet alleen met betrekking tot hun eigen prestaties, maar ook in relatie tot hun verantwoordelijkheid voor het ambtelijk apparaat.

Voor de aankomende november komt er een vervolg op deze lezingencyclus. De nieuwe serie heeft de 19de en de twintigste eeuw als onderwerp en in dit kader zullen de volgende inleidingen worden gehouden.

 

5 november: Guido Hoogewoud over het stadsarchitectenduo Bastiaan de Greef (1856-1890) en Willem Springer (1858 -1891). Deze periode had als beginpunt de grote reorganisatie die wethouder (en architect) Is. Warnsinck van Publieke Werken invoerde met drie nieuwe ambten; de Stadsarchitect, de Stadsingenieur en de Directeur bij de Publieke Werken. De stadsarchitect was verantwoordelijk voor de bestaande gebouwen en bruggen en de te ontwerpen nieuwbouw, de stadsingenieur was verantwoordelijk voor de waterhuishouding (de sluizen en waterkeringen) en de stedelijke nutsvoorzieningen zoals het gas, waterleidingnet en de reiniging. In het nieuwe éénhoofdige model, dat in 1873 werd ingevoerd, werden beide eerstgenoemde ondergeschikt aan de Directeur der Publieke Werken.

 

12 november: Vladimir Stissi over Allard Remco Hulshoff (1924-1946). Hulshoff was hoofdarchitect van de afdeling Gebouwen en kreeg in 1923 de eretitel van “stadsarchitect”. Tijdens zijn ambtperiode kende de Afdeling Gebouwen een grote opdrachtportefeuille als belangrijk instrument van de politiek van een ambitieus sociaal-democratisch gemeentebestuur. Veel jong talent werkte onder zijn leiding en maakte de overheidsbouw tot een voorbeeldig en internationaal beroemd fenomeen. Het was de bloeiperiode van de Amsterdamse School als overheidsarchitectuur.

 

19 november: Jos Smit en Coert Krabbe over Adriaan Willem Weissman (1891-1894). Weissman, van 1882-1891 als bouwkundige 1e klasse werkzaam onder De Greef, zou de laatste titularis zijn die verantwoordelijk was voor een rond de Stadsarchitect gevormde instituut. Na zijn gedwongen ontslag, ogenschijnlijk vanwege de “Stedelijk Museumkwestie”, maar politiek opportuun vanwege een gewenste volgende reorganisatie bij Publieke Werken, kreeg hij geen opvolger. De gemeentelijke ontwerppraktijk werd ondergebracht in de Afdeling Gebouwen van de Dienst der Publieke Werken.

 

26 november: Jeroen Schilt over Ben Merkelbach (1956-1961). In de jaren vijftig viel de stedenbouwkundige en architectonische problematiek onder de verantwoordelijkheid van de Dienst Publieke Werken en Stadsontwikkeling. Vanwege de consequenties in samenhang tussen grote projecten als de nieuwbouw van het stadhuis, de opera, de universiteit en de Nederlandse Bank, de toekomstige organisatie van de stad ter discussie stelde, en er bovendien binnen het apparaat sprake was van wrijving tussen utiliteitsbouw en de Afdeling Gebouwen, wilden B&W een beter gecoördineerde advisering. De instelling van het bureau van de Stadsbouwmeester, ingepast in een nieuw organisatiemodel van Publieke Werken. De dienst zou voortaan opgebouwd zijn uit vier afdelingen: de Stadsingenieur, de Afdeling Stadsontwikkeling, het Grondbedrijf en de Stadsarchitect. Laatstgenoemde zou de verantwoordelijkheid dragen voor de Afdeling Gebouwen, Utiliteitsbouw, Onderhoud Gebouwen en Werkplaatsen en Werktuigen. Al tijdens het bewind van Merkelbach werd door verzelfstandiging van instellingen als de universiteit en Schiphol de macht van Publieke Werken en dus ook van de stadsarchitect ondergraven. Na zijn overlijden in 1961 zou zijn opvolger Nielsen de laatste stadsarchitect van Amsterdam zijn.

 

De lezingen zijn gratis en worden gehouden op 5, 12, 19 en 26 november in de filmzaal van het Amsterdams Historisch Museum. De aanvang is te 12.30 u, de lezingen duren ca. 30 minuten.


 


Verslag Colloquium over de reiniging van het Paleis op de Dam, 10 juni 2009


Op 10 juli 2009 had het Genootschap Amstelodamum, samen met het Centrum voor de Studie van de Gouden Eeuw, een colloquium georganiseerd rond de plannen om de gevel van het Paleis op de Dam te reinigen en te restaureren. Voordrachten van Bert van Bommel, Krijn van den Ende, Pieter Vlaardingerbroek en Gerrit Vermeer gaven aanleiding tot een goede inhoudelijke discussie, waarvan onderstaand verslag.

 

 

Deel I. Discussie naar aanleiding van de voordrachten van de heren Bert van Bommel en Krijn van den Ende.

 

De heer Leen Eelman informeert naar het mogelijk verschil in duurzaamheid tussen de twee in het Paleis gebruikte soorten zandsteen. Geantwoord wordt dat er geen aanwijzingen zijn dat er in dat opzicht verschillen van betekenis zijn. Marten Jan Bok vraagt wat de plannen zijn met het marmer in de tympanen. Afgezien van wat technisch herstelwerk zal daar niets aan worden gedaan. Ook de kleur zal dus blijven zoals die nu is. Gary Schwarz heeft vanmiddag kennisgemaakt met het neologisme 'ontstoren'. Hij vraagt zich af wie er tot dusver door de paleisgevels werd gestoord, en waarom. Ook merkt hij op dat er in de presentatie sprake is van verhullend taalgebruik. 'Retoucheren' en 'patineren' zijn namelijk gewoon vormen van verven. In reactie daarop wordt gesteld dat de steeds groter geworden vlekkerigheid, ten dele het gevolg van het kennelijk ongelijk optredende verdonkeringsproces, als problematisch werd ervaren. Nu er hoe dan ook moet worden gerestaureerd (onder meer sommige kroonlijsten verkeren in slechte staat) was dit een goede gelegenheid om ook de gevels aan te pakken. Het plaatsen van de steigers is bovendien een kostbare aangelegenheid. Zou dat nu niet gebeuren, zouden we misschien nog dertig jaar moeten wachten. Norbert Middelkoop vraagt of er gesproken kan worden van een initiatief van de Koningin zèlf. Bert van Bommel zegt dat het initiatief in feite samenvalt met zijn eigen essay. Pas daarna is de zaak met het Hof opgenomen. Wim Vroom signaleert een opvallend verschil in opvatting tussen het restaureren van schilderijen en gebouwde monumenten. Bij de eerste vorm lijkt er grotere terughoudendheid aanwezig. Hem intrigeert een mogelijke verklaring daarvan. Een eenduidige verklaring is echter niet voorhanden. Wel komt naar voren dat er in de zienswijze van van Bommel en van den Ende heel duidelijk sprake is van twee richtingen. De historische richting zegt meestal: 'afblijven', terwijl de architecten meer denken vanuit de beleving van een monument. In aansluiting daarop meent Jan Piet Filedt Kok dat het streven van eenieder er steeds op gericht moet zijn te kunnen vertellen hoe het kunstwerk moet worden beleefd. Als restauratie dat streven zou belemmeren, zal minder rigoureus moeten worden opgetreden. Willem van Bennekom vraagt aandacht voor de positie van de in het concept-besluit van het Stadsdeel ingestelde begeleidingscommissie. Heeft die nog wel volledige vrijheid van handelen, zoals de tekst aangeeft? Esther Agricola, lid van de commissie, verklaart dat de begeleidingscommissie volledig onafhankelijk is. Men heeft er vertrouwen in dat het vanaf de steiger zal lukken onomkeerbaar nadeel te voorkomen. Als de commissie met de plannenmakers van mening zou verschillen zullen er nog stevige knopen moeten worden doorgehakt. Men is er nog niet helemaal uit hoe dat zal moeten. Daarop vraagt Walther Schoonenberg naar de specifieke risico's die kunnen voortvloeien uit de staat van het voegwerk, en de te gebruiken mortel. De heer van den Ende antwoordt dat daar een probleem zou kunnen liggen omdat het groot deel van het voegwerk in slechte staat verkeert, de heer van Bommel acht grote problemen niet waarschijnlijk. Er zijn in dit opzicht nog geen definitieve keuzes gemaakt. Van den Ende merkt nog op dat, voorzover blokken moeten worden vervangen, dat zo zal gebeuren dat het oorspronkelijke effect van 'koud' op elkaar gestapelde blokken wordt hersteld. Freek Schmidt vraagt of naast het geschetste ontstoringsplan nog alternatieven zijn onderzocht. Het antwoord is dat dit niet het geval is. Centraal stond en staat de belevingswaarde van het monument. Men is er van overtuigd dat die door de geschetste plan wordt geoptimaliseerd. Schmidt wijste er verder op dat het visuele effect van de architectuur ook al zou kunnen worden verbeterd door de oorspronkelijk donkerbruine kleur van de kozijnen terug te brengen. Zou dat worden gedaan, zou de nu voorgestelde operatie wellicht al goeddeels overbodig worden. Daarnaast vraagt hij of iets gedaan wordt aan de volgens hem wèl storende kleur van het lood en het koper op het dak. Van den Ende beaamt dit laatste. Henk van Nierop concludeert daarop dat het in de plannen eerder lijkt te gaan om het subject, de mens, dan om het object zelf. In aansluiting op eerdere opmerkingen vanuit de zaal dringt de vraag zich dan ook op met welk recht de huidige opvattingen over smaak voldoende rechtvaardiging opleveren om veranderingen aan te brengen die misschien onomkeerbaar zijn.

 

Deel II: Discussie naar aanleiding van de voordrachten van de heren Pieter Vlaardingerbroek en Gerrit Vermeer.

 

Marten Jan Bok opent met de - mede aan de begeleidingscommissie gerichte - vraag of, gehoord deze twee inleiders, niet moet worden gevreesd dat het leven uit de zandsteen gaat verdwijnen. Liesbeth van de Pol antwoordt dat het beslist niet de bedoeling is dat alles wordt behandeld, dat zal alleen gebeuren waar het nodig is. Ze benadrukt dat voor een 'pilot' is gekozen juist om te zien of de uiteenlopende opvattingen bij elkaar kunnen worden gebracht. Gary Schwarz merkt op dat Amsterdam vol staat met zandstenen gevels. Waarom worden die niet voor zo'n pilot gebruikt? Aansluitend wordt vanuit de zaal opgemerkt dat ieder zich nog de tijd heugt dat Malraux als een soort grote vergeler door Parijs trok. Behalve eenvormigheid is er daarbij ook veel onherstelbare schade toegebracht aan gevels, beelden en ander beeldhouwwerk. Vermeer toont een foto van de gevel van Peek en Cloppenburg, waar door onoordeelkundig handelen een blijvende vochtplek is ontstaan. Op zich toont hij zich niet ontevreden met de kennelijke keuze voor een zo groot mogelijke terughoudendheid, maar hij wil nogmaals benadrukken dat we nu op allerlei punten nog nèt niet genoeg weten om dit avontuur risicoloos aan te gaan. Hij noemt in dit verband de gevolgen van het onbedoeld verwijderen van de buitenste laag van de steen. Waarom niet nog dertig/veertig jaar gewacht? In het verlengde hiervan vraagt Van den Burg (TU Delft) of het verdonkeringsproces en mogelijk andere processen die de gevels geen goed doen al dan niet progressief verloopt. Daarover is in feite nog te weinig bekend. De gevelreiniger Ad Bravenboer constateert met vreugde dat hier met zoveel liefde over de steen wordt gesproken. Daarvan zijn ook de mensen op de steiger doordrongen. Naar aanleiding van een opmerking uit de zaal dat de schilderijen van Lingelbach en anderen voldoende aanknopingspunten bieden voor een terugbrengen in de toestand van ca 1650, formuleert Vlaardingerbroek als centraal dilemma of je de geschiedenis van het gebouw wilt laten zien, dan wel kiest voor een opvatting die op een bepaald moment speelt. In aansluiting daarop zegt Bok dat niets doen in dit geval wel degelijk een optie is. Sommige objecten, waaronder dit, zijn immers zo belangrijk dat utiliteitsargumenten, ontleend aan verlangens van de contemporaine gebruiker, er in feite niet toe doen. Van Leeuwen wil weten hoe groot het deel van de gevels is dat in feite zal worden aangepakt. Daarop wordt door van Van Bommel en Van den Ende geantwoord dat grote delen van de Oost- en Westgevel (Damzijde resp. Raadhuisstraatkant) geen behandeling behoeven. "Less in More" is ook hun motto, aldus expliciet van den Ende. Liesbeth van de Pol komt terug op de vraag in hoeverre het ontstoringsplan noodzakelijk is. Het antwoord is 'nee'. Zij ziet het dan ook eerder als een mogelijkheid die zich aandient. Die biedt echter wèl de kans om het Paleis zijn oorspronkelijke waarde en waardigheid terug te geven. In het verlengde hiervan pleit zij voor 'monumentuur' - een 'inclusief' theoretisch model waarvan de betrokkenen zich bij projecten als dit kunnen bedienen. Daartegenover stelt Wim Hupperetz nogmaals de vraag naar de urgentie van het project. Kennelijk ligt die alleen in het optimaliseren van de belevingswaarde. Dan komt 'onthouding' als alternatief volgens hem wel krachtig naar voren. Geantwoord wordt dat niets doen geen optie meer is.