Over Amstelodamum
Doelstelling en geschiedenis
Het Genootschap Amstelodamum stelt zich ten doel de kennis van en de belangstelling voor het verleden en heden van Amsterdam te bevorderen.
Oprichting
Op 23 maart 1900 kwamen in het Amsterdamse Muntgebouw zestien heren bijeen. Doel was de oprichting van een vereniging voor eenieder die belangstelling had voor de geschiedenis van Amsterdam. De bijeenkomst kwam voort uit een initiatief van de wijnkoper D.C. Meijer Jr. (1839-1908) en A.J.M. Brouwer Ancher (1856-1900), een selfmade historicus/documentalist die als commies op het gemeentearchief werkte, en kort na de oprichting zou overlijden. Op een tweede bijeenkomst werden voorlopige statuten aangenomen, en besloten de aanwezigen dat de vereniging – de benaming ‘Genootschap’ kwam pas in 1913 op – de naam Amstelodamum zou krijgen. In het negen leden tellende bestuur werd Meijer tot voorzitter gekozen, en stemde de gemeentearchivaris mr. W.R. Veder toe in een benoeming tot secretaris – een beslissing die de band tussen de nieuwe vereniging en de gemeentelijke archiefdienst onderstreepte. Al was bevordering van de kennis van het verleden van de hoofdstad het hoofddoel, uitdrukkelijk werd uitgesproken dat ‘het heden’ niet moest worden vergeten. Heden en verleden vormden, vond men, een onverbrekelijk geheel.
Doel, middelen, werkzaamheden
Op 18 mei 1900 werd het ‘proefreglement betreffende de werkzaamheden’ vastgesteld. Voorop stond het werk aan de ‘leggers’ of ‘repertoria’ (verzamelingen van op zeven verschillende deelgebieden beschikbare en nog op te sporen documentatie). Vastgelegd werd verder dat een jaarboek zou worden uitgegeven, lezingen zouden worden gehouden en tentoonstellingen zouden worden georganiseerd. Actievoeren stond niet hoog op de agenda, zodat het een speling van de geschiedenis kan worden genoemd dat de piepjonge vereniging zich blijvende roem verwierf toen het in 1901, daartoe aangespoord door Jan Veth en zijn brochure Stedenschennis, samen met het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap (KOG) met succes in het geweer kwam tegen het plan de Reguliersgracht te dempen – een beslissing die de gemeenteraad overigens pas in 1906 definitief bezegelde. Dat resultaat kreeg niet meteen een vervolg: de sloop van de Nieuwe Zijds Kapel kon bijvoorbeeld niet worden voorkomen. Na een lange rechtsstrijd over de eigendom van het gebouw, waarin burgemeester als eisende partij optrad, bepaalde de Amsterdamse rechtbank op zaterdag (!) 20 oktober1906 dat de Nederduits-Hervormde Kerk de rechtmatige eigenaar van het gebouw was (en niet de Gemeente Amsterdam). In de toen heersende rechtsopvatting betekende dat dat derden over de voorgenomen sloop niets te zeggen hadden. Niettemin wendde Amstelodamum zich nog in mei 1908 in een uiterste poging de sloop te voorkomen tot de kerkenraad. Tevergeefs. Andere tijden! De verschillen toen en nu blijken duidelijk uit de manier waarop met de overheid overleg werd gepleegd: in de notulen van de algemene ledenvergadering van 1909 van Amstelodamum wordt bijvoorbeeld melding gemaakt van het feit dat de directeur Bouw- en Woningtoezicht, de latere burgemeester Tellegen (1859-1921), het genootschap informeel op de hoogte stelde van panden die op de nominatie stonden verbouwd of gesloopt te worden. Een (bestuurs) lid van het genootschap, de architect G. van Arkel, diende het bestuur vervolgens van advies over de wel of niet te ondernemen stappen. In latere jaren verliepen de discussies minder informeel: toen in 1937/8 het Rokin werd gedempt stond Amstelodamum tegenover het stadsbestuur, net als in de zogenaamde Paleiskwestie, die in dezelfde jaren speelde.
Al snel na de oprichting was gebleken dat de deelname van de leden aan ‘het werk aan de leggers’ te wensen overliet. Mede om hen meer bij de doelstellingen van het genootschap te betrekken deed in 1914 het ‘Maandblad’ zijn intrede, en werden in principe twee maal per jaar excursies gehouden.
In de 125 jaren van het bestaan van de vereniging zijn de aandachtspunten van het genootschap vanzelfsprekend regelmatig verschoven. Hierboven bleek al Amstelodamum zich in de tijd dat er nog geen sprake was van bij wet geregelde monumentenbescherming regelmatig weerde bij dreiging van sloop of demping. Na de Tweede Wereldoorlog verlegde het hoofdaccent in de activiteiten zich meer en meer naar de bestudering van de geschiedenis van Amsterdam. Dat gold speciaal voor de Jaarboeken. Meer dan in het Maandblad, dat zich onder leiding van David Kouwenaar (1876-1957) ontwikkelde tot een platform door en voor alle leden, bevatten de Jaarboeken artikelen waarin, conform de statutaire doelomschrijving van het genootschap, op degelijk bronnenonderzoek gebaseerde studies werden gepubliceerd. Detaillering werd en wordt daarbij niet geschuwd, evenmin als de bij de studie van stadgeschiedenis onvermijdelijke en soms cruciale niches.
Ook de Duitse bezetting leidde tot een paradigmawisseling. Zag het Maandblad zich gekortwiekt door censuur (en zelfcensuur), de na de oorlog door Amstelodamum uitgegeven Kroniek van Amsterdam, opgesteld aan de hand van tijdens de bezetting veelal illegaal verzamelde gegevens, is nog altijd een monument van datgene waartoe bestuur en medewerkers in deze barre tijd ook in staat waren. Vanzelfsprekend waren voorkeuren en specifieke aandachtsgebieden van bestuur en redactie(s) bij dit alles altijd een factor van belang. Zo waren in de jaren zeventig en tachtig de interesses en inzichten van het latere erelid Dr. Isa H. van Eeghen in hoge mate bepalend. De activiteiten van het genootschap leggen zodoende niet alleen getuigenis af van de niet aflatende belangstelling voor verleden en heden van de stad, ze vormen ook een spiegel van de tijd. Sommige dingen blijven echter hetzelfde: sinds de oprichting wil de traditie dat de burgemeester beschermvrouwe/beschermheer van Amstelodamum is, en bij het zogenoemde erfgoedoverleg, waarin de deelnemende particuliere instellingen periodiek met de verantwoordelijke wethouder om de tafel zitten, doet de vertegenwoordiger van het genootschap nog altijd uit overtuiging mee.
Locaties’, plaatsen van samenkomst
Anders dan – bijvoorbeeld – het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap had Amstelodamum nooit een eigen ‘stek’. De eerste bestuursvergadering werd op 29 december 1900 gehouden in museum Willet-Holthuysen – de schrijver Frans Coenen (1866-1936), lid van Amstelodamum, had één van de bovenvertrekken in de voormalige patriciërswoning als verenigingsruimte beschikbaar gesteld. Daarheen verhuisden ook de portefeuilles van de leggers. Terwijl de bestuursvergaderingen later in de regel bij een van de leden thuis gehouden, vonden de algemene ledenvergaderingen tot 1916 plaats in het Muntgebouw. Daarna was de vaste plek daarvoor het American Hotel. Met enkele uitzonderingen (1919: gebouw van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, 1920: Stedelijk Museum, 1938: A.M.V.J.-gebouw) bleef dat zo tot 1940. Omdat ‘het American’ meteen bij het begin van de bezetting echter kenbaar had gemaakt dat ‘Joodsche gasten’ niet gewenst waren besloot het bestuur voor de jaarvergadering van 1941 uit te wijken naar het Stedelijk Museum, dat tot 1951 de vaste vergaderlocatie bleef. In 1952 verhuisde men opnieuw, deze keer naar de zalen van het KOG in het Rijksmuseum. Daar zou men tot 1968 blijven. Na een periode waarin de jaarvergadering zo mogelijk werd gecombineerd met een bezoek een van de vele bezienswaardige gebouwen in de hoofdstad, is het tegenwoordig in de regel ‘De Bazel’, de nieuwe locatie van het Stadsarchief, dat het Genootschap gastvrijheid verleent.
Leden
Volgens de op 6 april 1900 vastgestelde statuten waren er aanvankelijk vier soorten leden: gewone, donateurs/donatrices, werkende en ‘corresponderende’. In 1913 verdween het onderscheid tussen de twee laatste categorieën, in 1971 het verschil tussen donateurs/donatrices en ‘gewone’ leden. Al het eerste jaarboek, dat in 1902 uitkwam, bevatte een ledenlijst – een paar jaar later mèt huisadressen. Dat bleef zo tot 1942, toen publicatie van deze gegevens wegens de oorlogsomstandigheden te riskant werd gevonden. De Joodse leden van Amstelodamum hadden als gevolg van de door de bezetter uitgevaardigde verordening hun lidmaatschap overigens toen al moeten beëindigen. Na de bevrijding werden ledenlijsten alleen nog incidenteel gepubliceerd; publicatie daarvan blijft al lang geheel achterwege.. Van de benoeming tot erelid – een mogelijkheid die bij een statutenwijziging van 5 februari 1919 werd ingevoerd – werd tot op heden een tiental keren gebruik gemaakt. Een van de eersten die met deze waardigheid werd bekleed was Prof. Dr. Jan Six (1857-1926), de laatste Prof. Dr. W.H. (Wim) Vroom (1930-2019), die van 1978-1995 voorzitter van het Genootschap was.
Tenslotte een enkele opmerking over de ballotage. In overeenstemming met de toenmalige gewoonten gold dit gebruik ten tijde van de oprichting als een passend instrument om het karakter van ‘de club’ te behouden. In de loop van de vorige eeuw werd de gewoonte geleidelijk verzacht, om kort na de Tweede Wereldoorlog geheel te worden afgeschaft.
Tot slot
Clio, de muze van de geschiedenis, heeft vele gedaanten en gezichten. Het fenomeen van de stadsgeschiedenis is daarvan een van de meer recente. Sinds de tijd die tot voor kort de ‘Gouden Eeuw’ werd genoemd heeft dit genre zich in Amsterdam in een opmerkelijke populariteit mogen verheugen. Van Olfert Dapper (1663) en Isaac Commelin (1693) en van Jan Wagenaar (volt. 1768) en Jan ter Gouw (volt. 1893) tot Hajo Brugmans (volt.1933) en het team dat onder aanvoering van Piet de Rooy in 2007 de vierdelige Geschiedenis van Amsterdam publiceerde, steeds zijn er onderzoekers geweest die door de geschiedenis van de stad aan het IJ werden gefascineerd en nieuwe resultaten wisten te boeken. De nieuwste tijd opende als gevolg van nieuwe tendensen, aandachtsgebieden en exponentieel toegenomen onderzoeksmogelijkheden ook in dit opzicht nieuwe vensters. Het altijd onafhankelijk gebleven Amstelodamum doet daaraan waar mogelijk van harte mee. Gerichte aandacht voor de rol van Amsterdam in het ontstaan en de uitbouw van de slavernij is daarvan een van de voorbeelden, net als de toegenomen aandacht voor de schaalsprong die de stad aan het IJ momenteel beleeft.
© Willem van Bennekom, 2025
Privacyverklaring
De privacyverklaring van het Genootschap Amstelodamum vindt u hier.
